De kabel die iemand ’s avonds uit de paal trekt, ligt bijna altijd over het looppad. Een hak, een kinderfiets of de dissel van de buurman is genoeg. De stekker schiet eruit, de koelbox stopt, en de pen in de contactdoos buigt. Leg de kabel daarom naast het pad, niet erover.
De vorm van de stekker verandert daar niets aan. Welke kant CEE of Schuko op moet, staat in welke stekker je nodig hebt. De dikte en de haspel staan in verlengkabel en haspel.
Een boog, geen snaar
Een kabel die strak staat, trekt aan de paal zodra iemand erop stapt. Laat een boog liggen op de grond naast de tegel, groot genoeg dat een voet erlangs kan. Onder een zeil of een mat mag hij niet. Daar zie je hem niet, en daar blijft water op de mantel staan.
Een rechte campingkabel zonder trommel is hier makkelijker dan een haspel die half open ligt. Die trommel hoort helemaal af, zoals in een campingkabel zonder haspel. De rest van de lengte rol je op naast de tent, niet midden op de route naar de kraan.
Waar hij de tent in gaat
Bij een tent gaat de kabel onder de rits door aan de zijkant, niet door de deur waar iedereen loopt. Een handdoek in de kier houdt de ritssluiting heel en de muggen buiten. Bij een caravan of camper hoort de kabel in de invoer, niet door een raam dat je daarna niet meer dicht krijgt.
De woorden kabel, druipboog en mantel staan in het Kennis-ABC.